Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Eerst.

Acht jaar geleden schreef ik dit. En ik herinner het me alsof het gister was: "Heen lag er, tegen een boerenschuur iets in de lentezon op de grond. Iets zo afschuw-wekkends, dat het mijn brein een paar seconden kostte om uit de levenloze berg vlekken het kadaver van een koe te ontdekken. Midden in het Belgische landschap lag dat dode dier daar, de poten stijf, de nek juist slap. Een paar honderd meter verderop kuste ik het babyhoofdje van O. die met zijn grote oogjes de wereld aan het ontdekken was. Ik ging liggen op het warme gras in de tuin. Mijn ogen dicht, mijn armen en benen uitgespreid. De nog koude, vochtige aarde onder me drong via mijn bloes door tot in mijn huid. Op mijn gezicht brandde de zon. Ik haalde diep adem. En nog eens. En zei iets, tegen iemand die mij misschien horen zou. Ik herhaalde wat ik zei. Wel tien keer. Ik was kalm van binnen. En heel gelukkig. Er was niets anders dan het hier en nu. Zij kookte voor mij. En kwam bij me zitten toen ...

De Letters van Utrecht

Mijn goede vriend H. wordt niet meer beter. Het duurt niet lang meer, of hij zal er niet meer zijn. Een onmogelijke gedachte die soms wordt ingehaald door de werkelijkheid waarin de feiten laten zien dat  langer leven gewoonweg niet meer kan. Drie dagen geleden was H. jarig. Het was de vraag of hij zijn verjaardag zou halen. Dat deed hij. Zijn vrouw eerde hun leven  samen door  de dag na zijn verjaardag een steen te leggen. Langs de gracht in Utrecht. Via ‘De Letters Van Utrecht’, een letterlijk en figuurlijk poëtisch project. Iedere zaterdag houwt een steenhouwer tussen één en twee uur ’s middags ter plekke één letter. Nooit wordt er een zaterdag overgeslagen. Soms hakt de houwer in de brandende zon, soms in de stromende regen. Andere keren, zoals afgelopen zaterdag, in een snijdende januariwind. Elke letter vormt een nieuw onderdeel van een woord. En al die woorden vormen samen een gedicht. 1046 letters liggen er al langs de Oudegracht in Utrecht. Zi...

Tipi.

Op de lange laan die het bos in leidde, rook het naar natte bladeren. De lucht kleurde grijs boven de gele en rode bomen. Naast het pad kon je het vreemde getoeter hoorden van de herten die elkaar riepen dat er brood gevoerd werd, verderop. Door kalende takken schemerde een gebouwtje. Een paadje met een wilgentenen hek leidde naar een open plek tussen de bomen. Op een erf stond je plotseling, een sober aangelegd erf waar veel te zien was. Maar het pronkstuk stond aan de bosrand. Een metershoge tipi, eens wit, nu groen be-algd, stak met zijn spits bijna tot aan de boomkruinen. Ervoor vormden natgeregende boomstronken een kring rond een vuurplaats. Bukte je, dan kon je door de omhoog gerolde tentdeur de tipi in. Binnen was opnieuw een vuurplaats. Met stronken, kleiner ditmaal. Pas wanneer  je je hoofd in je nek legde, kon je het rookkanaal zien dat de top van de tipi vormde. Als walvisbaleinen stonden de metershoge stokken rechtop, spanden het doek, vormden een theatrale wand van l...

Miskoop.

Ze hadden er duidelijk helemaal geen zin in. De twee vrouwen die in de hoofdstad van Midden Nederland op de kop van de Springweg in de hippe kinderkledingwinkel de clientèle in ogenschouw namen. In de volgestouwde, wat duistere winkel vol met ‘de tofste kinderkledingmerken’ , waarvan de prijskaartjes meestentijds minstens drie cijfers voor de komma telden, stonden ze landerig bij de kassa. De gefluisterde bemerking van mijn dochter of ik haar nou alweer een kringloopwinkel had  laten betreden, was exemplarisch voor het hele Umfeld . Op mijn vraag aan de uitbaatsters of er ook -zoals gelezen in de krant- een outlet was, wees de éen verveeld door de openstaande deur naar buiten, de straat over. “Ja, daar’,was het wat boze antwoord. Toen ik de pas erin zette naar buiten, werden de dames plots ongedurig. ‘Ja wácht’ , zeiden ze, als was ik een arrestant, ‘want wij moeten mee’. Het plat Utrechts klonk  was de spreekwoordelijke modderschuit, waarvan de winkel -voorheen een...

Droom.

De vrouw die ik maar een paar jaar kende en die drie maanden geleden overleed, bezocht mij  vannacht in een droom. Plotseling stond zij naast mij terwijl ik in een donkere nacht keek naar het wassende water van een rivier die weldra de hele stad weg zou vagen. In mijn slaap was ik niet verbaasd over haar verschijning, zo mager maar vitaal als ik me haar herinnerde bij leven. Dicht bij mij bleef ze die hele droom lang, ook terwijl de nachtmerrie over de ondergelopen stad zich voor ons oog ontvouwde. Terwijl het water kwam, stonden wij gefascineerd naar de chaos om ons heen te kijken in de straat waar zij en ik samen, in het echte leven, gewoond hadden. Telkens als ik naar haar keek vielen me haar fluweelzachte donkere ogen op. En in mijn droom had ze precies die lieve lach in dat zachte gezicht vol droefenis. Geïnteresseerd bevroeg ze mij over de tijd waarin zij afwezig was geweest. Daarna noemde ze de naam van haar man en zei, dat ze zich afvroeg hoe het met hem ging. No...

Prooi.

Bij binnenkomst in de huiskamer was volstrekt duidelijk dat het vannacht bal was geweest. Allereerst begroette de poes me met een ander stemmetje dan gebruikelijk. Deze keer was haar gemiauw niet hoog en snerpend, maar gedempt en wat klaaglijk. Bovendien wilde ze niet al in de gang geaaid worden, maar nam ze me onmiddellijk mee de hoek om, de woonkamer in. Daar zag ik een blaadje liggen. Een door de droogte gekruld en verfrommeld blad van, laten we zeggen, de druivenstruik buiten, die zich als een dikke jurk rond mijn balkon slingerde. Mijn geest registreerde dit blad als vreemd-gevormd. En ook alarmeerde iets in mijn brein me, dat dit blad wel groot was. En anders gekleurd dan gewoon zou zijn bij een druivenblad dat een beetje in elkaar gerold op die vreemde plek in de woonkamer zou liggen. Vooralsnog aaide ik de onrustig heen en weer lopende poes die met een hees stemgeluid mauwde, mij daarbij van onderaf aankijkend met een blik die me ergens aan deed denken. Het leek of ...

Zeveren.

In de speeltuin naaste de kerk in Hunsel was het heet. Ook in Limburg was de hittegolf voortvarend van start gegaan. Langs de gevel van de kantine zat een handvol mensen landerig in de schaduw. Met onverholen dedain bekeken ze het bonte gezelschap dat arriveerde. Dat bestond uit een paar jongetjes in korte broeken en drie vrouwen met zonnebrillen, slippers en grote tassen. Een ervan had een broek met panterprint aan. Naast de ingang van de kantine was een klaptafel opgesteld. Daarachter zat een mastodont van een vrouw die zich kleedde volgens de ongeschreven regels van de senioren-dracht. Driekwart witte broek. Mouwloos topje met veel dessin waaruit slap vrouwenvlees stulpte. Grijs, naar achter gekapt haar dat als een helm op het hoofd geplakt zat. Plastic witte oorbellen. Een zilverkleurig brilmontuur waarachter wantrouwende oogjes naar de bezoekers staarden. Toen deze niet rap genoeg in de gaten hadden dat entree betaald diende te worden, blafte ze hard ‘ Hálloooo!’ v...