In het grootste winkelcentrum van Nederland was het kapot warm.
Een dakloze vrouw, twee grote zware shoppers torsend, liep voor me uit de
draaideur door.
Haar voeten gestoken in volledig versleten plastic slippers.
Op de rand van de bloembak voor de Hema ging ze even zitten.
Ik passeerde haar.
En keerde op mijn schreden weer terug.
Ging schuin voor haar staan en vroeg of ik iets voor haar kon halen bij de
Albert Heijn.
Twee donkere ogen keken mij aan.
Een klein, fijn gezichtje, een mond zonder tanden.
Leeftijdsloos.
Ergens tussen de veertig en de tachtig was ze. Een polyester pruik was met een
kleurige doek op haar hoofd vastgemaakt.
Ze dacht heel lang na over mijn vraag.
Ik vulde mijn aanbod aan: ‘Iets drinken misschien want het is heel erg warm. Of
iets te eten. Wat zou je graag willen?'
Het was een vraag die haar lang niet was gesteld. Want het antwoord bleef uit.
Ze stamelde langdurige het woord ‘misschien’ in allerlei toonaarden met veel
pauzes ertussen. Terwijl ze nadacht over een veel te grote vraag gezien haar
omstandigheden: wat ze fijn zou vinden.
Ik wachtte geduldig.
Toen kwam haar bestelling: een klein pakje volle melk graag.
Ik zei : ‘Dat ga ik voor je halen. En wil je nog iets anders hebben, iets om te
eten of verfrissingsdoekjes, iets anders, ik weet het niet, wat zou je fijn
vinden?’ zo stelde ik haar nog een keer die onhandige, moeilijke vraag.
Het duurde lang.
Toen lichtten haar ogen op.
‘Een gevulde koek!’, zei ze.
Nog iets was niet nodig.
Dit was het.
Ik haalde haar boodschappen plus een hele grote fles koud water. Van de koek
maakte ik vier gevulde koeken van de versafdeling, in doorzichtig cellofaan
verpakt.
Weer buiten liep ik naar haar toe.
Een kleine, in elkaar gedoken figuur onder een enorme plant.
Boven haar het kunststof
dak -hitteversneller-van het winkelcentrum waar mensen elkaar in sneltreinvaart passeerde aan de
vooravond van de hittegolf.
Ik gaf haar het water, de melk en de koeken en vroeg of ik even naast haar mocht zitten. Ik stelde me aan haar voor, zij vertelde me haar naam.
Plotseling wist ze wat ze graag zou willen.
‘Weet jij een kamer voor mij?’, vroeg ze zachtjes.
Ik schudde mijn hoofd en zei: ‘Ik heb
geen kamer voor je. En ik weet ook niemand bij wie je zou kunnen wonen. Maar
instanties zoals het Leger des Heils, die kunnen jou hiermee verder helpen’.
‘Ja’, zei ze. ‘Dat ken ik wel’.
Toen, zachter: ‘Maar de al die mannen daar’.
Ik pakte mijn telefoon.
Zocht het adres van de vrouwenopvang in de stad.
Ze las mee; adres, telefoonnummer.
Dat kende ze, zei ze.
Het was oké zo.
Nog even zat ik naast haar.
Toen ik opstond wenste ik haar alle geluk en ook
veel sterkte met de komende hete dagen.
De donkere ogen keken mij lang aan en ze knikte eenvoudig eenmaal.
De kin naar
de borst, voorhoofd naar de gladde stenen vloer.
Een paar honderd meter verderop wachtte mijn kind.
Om wiens smalle
schouders ik zo mijn armen zou slaan.
Op wiens slapen ik een kus zou drukken.
En
aan wie ik aan het eind van de middag zou vragen: ‘Waar zullen we gaan eten;
waar heb je zin in, wat vind je fijn?’

Reacties
Een reactie posten