Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Tijd.

Midden in de avondspits van ons huishouden, werd er aangebeld. Voor de deur stond een hele oude dame. In een veel te grote regenjas. ‘ Ik ben verdwaald’ sprak ze vertwijfeld. In haar ogen zag ik de blik die mijn moeder had, op het laatst. Ik nodigde haar binnen. Ze nam plaats op de bank. Meisje M. piepte verlegen maar nieuwsgierig met haar hoofd om de hoek. ‘Ik heb honger’ zei mijn gast. Ik maakte een boterham met kaas en een kop thee. De boterham sneed ik in kleine stukjes. Zoals ik ze dat op het laatst bij mijn moeder had zien doen. Ik doorzocht met enige gêne de handtas van mijn plotselinge visite. Vond geen adres noch telefoonnummer. Wel een sleutelbos. En een rijbewijs. Ik belde de politie en verzocht men haar adres aan mij te geven zodat ik haar naar huis kon brengen. Ze woonde letterlijk om de hoek, zo bleek. Toen de tante van Meisje M. gedurende het voortdurende spitsuur bij mij thuis de honneurs kon waarnemen, nam ik   mevrouw G. bij de...

Munt.

  Vandaag leerde ik eindelijk waar je heen gaat na de dood. Meisje M. vertelde het me, vanmorgen in bed. Met haar rug tegen me aan. Haar voetjes tussen mijn benen. Omdat de beste vriend van haar juffrouw van school is overleden, speelde ze gister al dood-zijn met de drie vriendinnetjes uit haar klas. In de speeltuin maakten ze van de glijbaan een doodskist, waar ze samengeperst twee aan twee om de beurt dood lagen te zijn.   Dat betekende; ogen dicht, stil liggen en niet lachen. Het was niet moeilijk. Met grote ernst kweten ze zich om en om van hun taak. Vanmorgen zei Meisje M. dat haar knuffel was overleden. Daarbij toonde ze de versleten poes, die ze in de schemering omhoog hield boven de lakens. Hij zag er inderdaad slap en stil uit, zo hangend tussen haar twee vingers. 'Wat gebeurt er eigenlijk   als je overleden bent?' vroeg ik, mijn neus in haar haren. Het was even stil. 'Dat weet ik eigenlijk niet' kwam toen opgewekt het ant...

As.

  De boom was er nog. Natuurlijk was die er nog. Ik drukte de vaas met de pijlpuntige pin in het gras tussen de wortels van de den. Ik schikte mijn gele rozen naast de pioenrozen van mijn zus. Precies dezelfde gele rozen als vorig jaar, maar dan anders. Deze waren in rust gekocht. Die van vorig jaar in een impuls van mijn keukentafel gepakt, zo uit de vaas. In haast, schok, verdriet. Om ze zestig kilometer verderop neer te zetten naast het bed waarin mijn moeder lag. In haar slaap overleden. Uiteindelijk in haar slaap overleden. Gele roosjes. Ik keek naar de boom, de dennenappels en het ruwe gras waar maanden terug,  op net zo’n zonnige dag, haar as was geland. Ik bekeek de boterbloemen en madeliefjes. Zag een duif die scharrelde over dat vermaledijde, prachtige veld. Bekeek de boom, zijn wortels, het gras. Ik zocht mijn moeder. Maar vond haar niet.

Monoloog 4.

  Als je geboren wordt, ik bedoel, vlak ervoor, dat is de meest bepalende beleving van elk mens, denk je niet? En toch herinneren we ons er niets van. Maar die eerste ervaring van elk menselijk wezen is universeel: een te nauwe doorgang. Als een laag abces, tegen anaal, dat op exploderen staat.  Die claustrofobische ervaring zou nederig moeten stemmen. Maar dat doet het niet. De meeste mensen leven met de voortdurende drang naar meer. Een honger die brandt. En er zijn geen grenzen. Omhoog, omhoog willen ze, de kinderen van de nacht. Erop af! En ze hebben ergens gelijk. Het is nu of nooit. Dat moet je toch met me eens zijn? Zo donker als het hier is. Morgen kan het zomaar te laat zijn. Wordt er bijvoorbeeld nog gewacht tegenwoordig? Alles is zo laag bij de gronds. Weinig jonge dieren. Weinig geluk. We moeten afstand nemen, jij en ik.  Zeg eens iets. Ik heb er spijt van. Dat wilde ik je nog zeggen. En toch heb ik het niet expres gedaan. Het is belangrijk...

P.

Haar stem, door de telefoon, deed hem denken aan iemand anders.  Haar aa ’s waren langgerekt met een scherp randje. Ze lachte veel. De eerste keren dacht hij dat ze stilviel, middenin hun gesprek.  Later begreep hij   dat het de stilte voor het lachen was. Eerst haalde ze geluidloos adem en dan zwol al dat lachen aan.  Hij glimlachte steeds, als hij haar dan uiteindelijk naar adem hoorde happen. Als hij met haar belde, altijd vanuit de beslotenheid van zijn auto, stelde hij zich haar gezicht voor. Hij had haar zo’n twintig keer gebeld, misschien zestig keer ge-smst, en vele keren gemaild.  Het was of hij haar al jaren kende. Er was een vreemd soort vertrouwdheid in de manier waarop ze met elkaar praatten. Toch was het pas anderhalve week aan de gang. En had hij haar nog maar twee keer gezien. De eerste keer was in het halfdonker van een nachtclub, hun beider blik vertroebeld door drugs.  Hij herinnerde zich de vorm van haar mond en haar ...

Dingen.

Dingen die er toe doen: kleine diertjes die zoet ruiken de zon uitzicht warm water goed kijken goed luisteren handen op je huid het hart dat een slag overslaat cappuccino met teveel melk alleen zijn in de stilte liggen op de grond tussen slapen en waken in op de bank liggen op zaterdagmiddag met je vrienden zijn lopen met muziek in je oren  lopen zonder muziek in je oren van je kind houden zoveel je kunt  nieuwe dingen oude dingen verwachtingen die uitkomen groeien nadenken niet nadenken een jeans die oud en zacht is rafels aan een truitje de bewegende neusjes van knaagdieren polders wind langs je gezicht verdwijnen verschijnen geluiden van buiten, op straat van je kind houden, uit alle macht thuiskomen weggaan verwachtingen die niet uitkomen tulpen clichés aardig zijn tegen mensen van je kind houden, Almachtige vergeving vergetelheid hoop afstand de nuance witte t shirts de ...

Dag.

Meisje M. draagt de plastic giraffe die ze gister van Meisje I. ontving, met verve in haar mond naar school. Vannacht kroop ze bij me in bed omdat ze bang was voor de wolf die ze bij Meisje I. thuis had gezien, op de zolder. Naast mij sliep ze verder, schokkend en trappend in haar slaap. Vanmorgen kuste ik haar wakker, de poes snuffelde gelijktijdig in haar haren. Bij het ontbijt was De Wolf het onstopbare thema. Nu lopen we op het schoolplein en wachten we voor de deur. Haar zachte hand in de mijne. Ze drukt haar neust in mijn wollen sjaal en wil in stilte geknuffeld worden. Ik hurk en neem haar op schoot. Voor de voordeur van de school. Rondom ons een woud van benen. In de klas plaatjes van lente-bloemen op de grond.  Ook de ‘ kokrus’ is erbij. Met de giraffe in haar mond lacht ze luid wanneer haar klasgenoot deze bloem de krokodilbloem noemt. W. vertelt me in de klas, met haar baby op de arm, hoe het haar vergaat. Een van haar beste vriende...