Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Weg.

  (geschreven op 12 september 2011) We zochten zorgvuldig haar spullen uit. De keramieken bekers met de blauwe, rudimentaire koeien erop. De schets van het babyhoofdje, door haarzelf gekocht in Utrecht, meer dan en halve eeuw terug. Haar favoriete boeken die ze nooit meer zou kunnen lezen. Gedichtenbundels. De zilveren vaas. Kussens die ik maakte waarop twee vogels in een zwarte boomtak naar hun vilten nageltjes zitten te koekeloeren. De foto van meisje M. die met haar vader en moeder onbezonnen de wereld in lachte. We stopten alles in dozen, ontmantelden haar tafel en kast en reden die dag een paar maal op en neer naar het verzorgingshuis. Aan het einde van de dag leek de kamer een beetje op haarzelf. Het steriele was eraf. Het was een warme, gezellige kamer geworden met haar eigen spullen erin. Toen was het zover. We namen mijn moeder mee naar de plek waar ze vanaf dinsdag voor de rest van haar leven alleen zal wonen. We wisten niet of ze het echt begreep. Maar ze was blij verra...

Zegen.

  Ik las vanmiddag de Hebreeuwse zin 'Baruch dayan ha'emet'. Ik ken deze zin al heel lang, onder andere uit een song van Alpha Blondie. Vandaag zocht ik de betekenis ervan op. Het betekent letterlijk: 'Gezegend is de Ware Rechter'. De zin wordt uitgesproken in de Joodse gemeenschap wanneer je van het overlijden van iemand verneemt. Het gaat uit van de gedachte dat je -wanneer je in God gelooft- je met heel je hart van hem houdt. En hem niet alleen dank zegt voor de goede die je overkomen. Maar ook voor de slechte dingen die je ervaart. Wanneer iemand overlijdt, zeg je dus 'Gezegend is de Ware Rechter' en geef je je daarmee over aan de gedachte dat de dood voor ons mensen een niet te bevatten gebeurtenis is. Door ' Baruch dayan ha'emet' te zeggen, accepteer je de gedachte dat het Onbegrijpelijke en Onbeschrijfelijke door de Ware Rechter wordt beslist. En dat er een diep-gevoeld verschil is tussen jouzelf en het bestaan van deze hogere macht....

Vluchten.

  We vertrokken twee dagen nadat de pleuris was uitgebroken op Schiphol. Direct gevolg van een korte maar hevige staking op 23 april van het personeel dat de bagage van reizigers in het ruim van vliegtuigen moet laden en lossen. Onze vlucht ging. Dat wel. Maar we stonden bijna  drie uur onafgebroken in rijen. Een aaneenschakeling van geïrriteerde reizigers was het, die zich onwillig tussen paaltjes lieten dirigeren door herintreders. Die voor het eerst van hun leven de baas mochten spelen over een heleboel mensen. En die zich dat geen twee keer lieten zeggen. Vlezige vrouwen waren het van ver boven de vijftig die schreeuwden met schelle stem dat we door moesten lopen dan wel uit moesten wijken. Mannen waren het ook, met buiken alsof ze drachtig waren van een span paarden, die zich met zichtbaar genoegen wentelden in het gevoel dat ze kregen van het in een portofoon mogen spreken. Met nauwelijks verhulde minachting keken ze je aan, telkens wanneer je als vee de volgende bocht d...

Arno Nollen

In een tijd, ver voordat hij fotograaf werd wiens werk in het Fotomuseum Den Haag zou hangen en die prijzen zou winnen met zijn unieke beeldverhalen, ontmoette ik Arno Nollen. Dat was op een warme zomeravond die ik zoals vaak met E. doorbracht op de Wallen in Amsterdam. Zittend op een zwart versleten traptrede van een opgang naar een grachtenpand keken zij en ik die maanden avond na avond naar de bonte stoet toeristen, bewoners, junks, sjacheraars, temeiers en ander moois dat voorbijtrok. E. had haar camera toen al vaak bij zich. Ik mijn grote mond. Nollen fietste ons voorbij ergens op de Oudezijds Achterburgwal. Een blonde reus met een warrige haardos. En wat vlezige mond, grote handen. Hij remde abrupt en keerde zijn fiets, tot hij deze recht voor de traptreden tot stilstand had gebracht. Zijn voet leunde dichtbij waar mijn billen het warme steen raakten. Hij plaatste een camera voor zijn ogen en sommeerde mij te stoppen met praten. Te stoppen met lachen. Ik vroeg waarom hij een foto...

Rennen.

  Ik heb nog slechts herinnering aan een tijd dat ik kon rennen. Ook al ben ik niet oud, rennen zal ik nooit meer doen. Mijn lichaam is er niet sterk genoeg voor. Ik zal er waarschijnlijk zelfs dingen kapot mee maken, binnen in mij. Spierscheurtjes. Pees-scheuren. Een botontsteking. Ontwrichtingen. En hoewel mijn geest zich het rennen herinnert en mijn lichaam soms verlangt naar het als een kanonskogel doen verbranden van energie, beweeg ik nooit meer zo hard dat ik de wind door mijn haren voel. Mijn adem tussen mijn droge lippen hoor ruisen. Het bloed in mijn oren hoor kloppen. In mijn droom rende ik vorige week. Op een drukke parkeerplaats duwde ik door een dichte mensenmenigte een winkelwagentje voor me uit. Ik duwde het karretje uit alle macht, zó hard, dat in mijn droom mijn voeten mee moesten bewegen. Sneller, steeds sneller ging ik tot ik rende. Ik duwde de boodschappenkar waarvan de zwenkwieltjes dolgedraaid klapperden en ik rende en rende en rende en rende. Mijn ged...

Later.

  Ik hoorde vijf dagen geleden van haar dood. Die kwam nadat ons contact zeven jaar geleden op een wonderlijke manier leek te verwateren zonder voor mij aanwijsbare aanleiding. R. had in mijn huis behangen toen ik verhuisde. Zij had op mijn zeer kleine kind gepast, die ene keer, op stel en sprong. Later, toen we een kitten uit het nestje van haar poes overnamen, timmerde ze een hordeur en een opzetraam voor mijn vensters zodat de babypoes niet ontsnappen zou. Lang was ze, met een prachtige bos roestbruin haar. Grote droeve ogen in een gezicht dat deed denken aan dat van Julia Roberts. We waren collega’s en werkten aan gezamenlijke projecten. En we werden zeer goede kennissen, vriendinnen misschien. Ik had er nog met haar over gesproken, zo’n zes jaar geleden. Over het zo plotseling stoppen van ons contact. Met geschrokken stem zei ze aan de telefoon dat ze ‘nog zo haar best had gedaan geen sociale ongelukken te maken’ . Ze nodigde me uit voor de lunch in het res...

Fragment.

    Ik kende hem als een niet al te grote man, de ogen lichtblauw, gefocust, scherp observerend. Recht van lijf en leden leek hij .Terwijl een stijf gezet been dat onmogelijk maakte, in het echt. Er was een wat scheve wandelgang, de schouders oneven opgetrokken. Toch leek hij groot, recht, sterk. Het moet zijn geest geweest zijn die die fysieke illusie opwekte. Een mentaliteit waarbij zelfstandigheid, eigen verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid en oprechtheid van hem een man maakte die recht was. Recht door zee. Recht van lijf en leden. Op een foto uit 1929 staat hij als peuter. Hij draagt een klein overhemdje dat los op een korte broek valt. Aan zijn mollige beentjes witte sokjes en zwarte schoenen. Zijn haar is halflang en hangt in een lok over de linkerzijde van zijn voorhoofd. In zijn linkerhand houdt hij een handvat vanwaar een stukje touw naar een houten paard en wagentje gaat. Hij trok het voort op het moment dat de fotograaf zijn naam heeft ...