Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Arno Nollen

In een tijd, ver voordat hij fotograaf werd wiens werk in het Fotomuseum Den Haag zou hangen en die prijzen zou winnen met zijn unieke beeldverhalen, ontmoette ik Arno Nollen. Dat was op een warme zomeravond die ik zoals vaak met E. doorbracht op de Wallen in Amsterdam. Zittend op een zwart versleten traptrede van een opgang naar een grachtenpand keken zij en ik die maanden avond na avond naar de bonte stoet toeristen, bewoners, junks, sjacheraars, temeiers en ander moois dat voorbijtrok. E. had haar camera toen al vaak bij zich. Ik mijn grote mond. Nollen fietste ons voorbij ergens op de Oudezijds Achterburgwal. Een blonde reus met een warrige haardos. En wat vlezige mond, grote handen. Hij remde abrupt en keerde zijn fiets, tot hij deze recht voor de traptreden tot stilstand had gebracht. Zijn voet leunde dichtbij waar mijn billen het warme steen raakten. Hij plaatste een camera voor zijn ogen en sommeerde mij te stoppen met praten. Te stoppen met lachen. Ik vroeg waarom hij een foto...

Rennen.

  Ik heb nog slechts herinnering aan een tijd dat ik kon rennen. Ook al ben ik niet oud, rennen zal ik nooit meer doen. Mijn lichaam is er niet sterk genoeg voor. Ik zal er waarschijnlijk zelfs dingen kapot mee maken, binnen in mij. Spierscheurtjes. Pees-scheuren. Een botontsteking. Ontwrichtingen. En hoewel mijn geest zich het rennen herinnert en mijn lichaam soms verlangt naar het als een kanonskogel doen verbranden van energie, beweeg ik nooit meer zo hard dat ik de wind door mijn haren voel. Mijn adem tussen mijn droge lippen hoor ruisen. Het bloed in mijn oren hoor kloppen. In mijn droom rende ik vorige week. Op een drukke parkeerplaats duwde ik door een dichte mensenmenigte een winkelwagentje voor me uit. Ik duwde het karretje uit alle macht, zó hard, dat in mijn droom mijn voeten mee moesten bewegen. Sneller, steeds sneller ging ik tot ik rende. Ik duwde de boodschappenkar waarvan de zwenkwieltjes dolgedraaid klapperden en ik rende en rende en rende en rende. Mijn ged...

Later.

  Ik hoorde vijf dagen geleden van haar dood. Die kwam nadat ons contact zeven jaar geleden op een wonderlijke manier leek te verwateren zonder voor mij aanwijsbare aanleiding. R. had in mijn huis behangen toen ik verhuisde. Zij had op mijn zeer kleine kind gepast, die ene keer, op stel en sprong. Later, toen we een kitten uit het nestje van haar poes overnamen, timmerde ze een hordeur en een opzetraam voor mijn vensters zodat de babypoes niet ontsnappen zou. Lang was ze, met een prachtige bos roestbruin haar. Grote droeve ogen in een gezicht dat deed denken aan dat van Julia Roberts. We waren collega’s en werkten aan gezamenlijke projecten. En we werden zeer goede kennissen, vriendinnen misschien. Ik had er nog met haar over gesproken, zo’n zes jaar geleden. Over het zo plotseling stoppen van ons contact. Met geschrokken stem zei ze aan de telefoon dat ze ‘nog zo haar best had gedaan geen sociale ongelukken te maken’ . Ze nodigde me uit voor de lunch in het res...

Fragment.

    Ik kende hem als een niet al te grote man, de ogen lichtblauw, gefocust, scherp observerend. Recht van lijf en leden leek hij .Terwijl een stijf gezet been dat onmogelijk maakte, in het echt. Er was een wat scheve wandelgang, de schouders oneven opgetrokken. Toch leek hij groot, recht, sterk. Het moet zijn geest geweest zijn die die fysieke illusie opwekte. Een mentaliteit waarbij zelfstandigheid, eigen verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid en oprechtheid van hem een man maakte die recht was. Recht door zee. Recht van lijf en leden. Op een foto uit 1929 staat hij als peuter. Hij draagt een klein overhemdje dat los op een korte broek valt. Aan zijn mollige beentjes witte sokjes en zwarte schoenen. Zijn haar is halflang en hangt in een lok over de linkerzijde van zijn voorhoofd. In zijn linkerhand houdt hij een handvat vanwaar een stukje touw naar een houten paard en wagentje gaat. Hij trok het voort op het moment dat de fotograaf zijn naam heeft ...

Kwets.

  Aan het branden van zijn fietsverlichting kon je zien dat hij thuis waarschijnlijk was uitgezwaaid. Maar dat het ‘Doe voorzichtig!’ dat zijn ouders hem mogelijk nog hadden toegevoegd, tegen dovemans-oren was gericht. Want met zijn slungelige puberlijfje op de te grote fiets, reed hij aan de verkeerde kant van de gigantische verkeersrotonde. Daar stelde hij zich op bij een stoplicht voor voetgangers. Ongedurig ging zijn lichaam heen en weer. Haast maakte zijn gebaren schokkerig, de hand die achter hem tastte naar de op de bagagedrager gesjorde rugzak tastte snel en stakerig. Het duurde te lang. Hij keek slechts naar de op groen wachtende auto links van hem en trok op. Door rood reed hij over de gigantische verkeersader met zesbaans autoverkeer en nog meer fiets-en wandelpaden. En op zijn schouder zat een beschermengel van formaat. Want van alle vijf de rijrichtingen vanwaar een auto had kunnen komen deze schemerochtend, kwam er geen. Trekkend aan zijn stuur en s...

Schade.

    Wij spraken over de operatie aan mijn knie. En het litteken dat overbleef. Dat nadien openscheurde, voorteken van een ziekte die zich pas dertig jaar later zou openbaren. Een wond zo groot, die van binnen naar buiten door alle huidlagen heen openscheurde. Die geïnfecteerd raakte en twee diepe kraters sloeg in de snede. Vierentwintig krammen scheurden los, twee ervan werden een krater zo groot als een rijksdaalder, gemaakt leken ze van vloeipapier dat gekreukeld was en daarna gladgestreken. Terwijl ik vertelde over dat teken op mijn linkerknie, vervulde mijn lijf zich met afschuw. Ik herinnerde me plotseling de lange dagen in het ziekenhuis waarbij ik als enige patiënt op een kamer van zes de zomer door probeerde te komen.   De gele gordijnen gesloten van die kamer aan het einde van de gang waarbij de enige persoon die ik soms in uren zag een schoonmaker was. Die in stilte de stoffer achtjes liet draaien op het glimmende linoleum van de gang. ...

Tijd.

  Hij lag op het asfalt en zag eruit alsof hij sliep. Zijn ene hand onder zijn hoofd, zijn andere ontspannen voor zich op de groezelige straat. Van onder hem, als was het een vreemdsoortige vlag die waarschuwend omhoog stak, kwam de steel van een tennisracket uit de rugzak die nog op zijn rug gegespt zat. Ik zag het toen ik weg wilde rijden vanuit een parkeervak aan de linkerkant van de straat. Ik zag hem in spiegelbeeld. Het duurde even voor mijn hersens het beeld dat ik zag vertaalden. Toen ik in het bergje op het asfalt een mens herkende, startte ik acuut mijn handelingen. Ik zette de motor af, stapte uit. Rende naar de liggende figuur op de weg. Ik knielde op het asfalt en legde een hand op de rug van de man met grijs haar. Ik sprak tegen hem. Maar hij leek diep in slaap. Zijn ogen waren dicht. Maar niet helemaal. Door een kiertje zag ik zijn ogen, die zwart leken en als in een halfslaap staarden. Net als toen, mijn vader. Wind waaide door zijn grijze...