Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Voor H.

Als je gaat, dan kom ik bij je. Eerder niet, ook later niet. Ik ben er en zal stil zijn. Ik zal kijken naar de vrouw met wie je bijna dertig jaar samen was. Aan tafel zal ik met haar zitten, precies zoals we daar met jou altijd zaten. Ieder op zijn eigen stoel. De jouwe leeg. Als je gaat, dan zal ik schrijven. Over de liefde  die geweest is tussen jou en haar.  Als andere Grote Liefdes was die grillig en eenvoudig. Ingewikkeld en rustgevend. Diep en stil. Ik heb meer dan dertig jaar aan de overkant van de tafel naar jullie gekeken. Met jullie beiden gepraat, gedronken, gegeten en gelachen. Toen mijn kind geboren werd, kwam jij als een van de eersten kijken. Ik hoor nu nog je stem, terwijl je  gebogen over dat minimensje, eenvoudig ‘Ach’ hebt gezegd. We zijn allebei ziek geworden. Jij driemaal ernstig. Ik eenmaal definitief. Jouw laatste ziekte werd je fataal.In mij zocht je houvast voor de pijn van een haperend lichaam, het verlies van een werkend leven, de wr...

Wild.

Ik zag hem in de RoXY.
 Heel even flitste hij voorbij. 
Ik was eind twintig, hij moet eind dertig zijn geweest. 
Op zijn kuiten stond het Chanel-logo getatoeëerd. 
Harrie Wildeman heette hij. 
 F. die naast me stond in de RoXY, temidden van die kolkend hete, met drugs geïnfecteerde meute, stootte me aan.
 Daar ging hij, de Koning van de RoXY, zijn ogen zwart als kolen, het lijf gebogen in een vreemde door speed opgezweepte gang. Als een derwisj bewoog Wildeman zich door de dansende menigte, zijn gelaat gegroefd, gekerfd, vertrokken in een grimas.
 Daar kwam hij aan.
 Ik greep zijn arm.
 ‘Harrie!’schreeuwde ik opgewekt in zijn oor dat omkranst werd door spierwit gebleekt haar. 
Hij keek me een seconde aan. 
De housebeat pompte, als waren wij in het hart van de Duivel zelf. 
Ik wees op Wildemans’ kuiten, waarop het logo van Chanel prijkte. 
Ik keek opnieuw in de inktzwarte ogen waarvan de pupillen wijd open waren. 
Ik stak mijn vingers omhoog en maakte het ‘ok’-gebaar met mijn duim en ...

Eerst.

Acht jaar geleden schreef ik dit. En ik herinner het me alsof het gister was: "Heen lag er, tegen een boerenschuur iets in de lentezon op de grond. Iets zo afschuw-wekkends, dat het mijn brein een paar seconden kostte om uit de levenloze berg vlekken het kadaver van een koe te ontdekken. Midden in het Belgische landschap lag dat dode dier daar, de poten stijf, de nek juist slap. Een paar honderd meter verderop kuste ik het babyhoofdje van O. die met zijn grote oogjes de wereld aan het ontdekken was. Ik ging liggen op het warme gras in de tuin. Mijn ogen dicht, mijn armen en benen uitgespreid. De nog koude, vochtige aarde onder me drong via mijn bloes door tot in mijn huid. Op mijn gezicht brandde de zon. Ik haalde diep adem. En nog eens. En zei iets, tegen iemand die mij misschien horen zou. Ik herhaalde wat ik zei. Wel tien keer. Ik was kalm van binnen. En heel gelukkig. Er was niets anders dan het hier en nu. Zij kookte voor mij. En kwam bij me zitten toen ...

De Letters van Utrecht

Mijn goede vriend H. wordt niet meer beter. Het duurt niet lang meer, of hij zal er niet meer zijn. Een onmogelijke gedachte die soms wordt ingehaald door de werkelijkheid waarin de feiten laten zien dat  langer leven gewoonweg niet meer kan. Drie dagen geleden was H. jarig. Het was de vraag of hij zijn verjaardag zou halen. Dat deed hij. Zijn vrouw eerde hun leven  samen door  de dag na zijn verjaardag een steen te leggen. Langs de gracht in Utrecht. Via ‘De Letters Van Utrecht’, een letterlijk en figuurlijk poëtisch project. Iedere zaterdag houwt een steenhouwer tussen één en twee uur ’s middags ter plekke één letter. Nooit wordt er een zaterdag overgeslagen. Soms hakt de houwer in de brandende zon, soms in de stromende regen. Andere keren, zoals afgelopen zaterdag, in een snijdende januariwind. Elke letter vormt een nieuw onderdeel van een woord. En al die woorden vormen samen een gedicht. 1046 letters liggen er al langs de Oudegracht in Utrecht. Zi...

Tipi.

Op de lange laan die het bos in leidde, rook het naar natte bladeren. De lucht kleurde grijs boven de gele en rode bomen. Naast het pad kon je het vreemde getoeter hoorden van de herten die elkaar riepen dat er brood gevoerd werd, verderop. Door kalende takken schemerde een gebouwtje. Een paadje met een wilgentenen hek leidde naar een open plek tussen de bomen. Op een erf stond je plotseling, een sober aangelegd erf waar veel te zien was. Maar het pronkstuk stond aan de bosrand. Een metershoge tipi, eens wit, nu groen be-algd, stak met zijn spits bijna tot aan de boomkruinen. Ervoor vormden natgeregende boomstronken een kring rond een vuurplaats. Bukte je, dan kon je door de omhoog gerolde tentdeur de tipi in. Binnen was opnieuw een vuurplaats. Met stronken, kleiner ditmaal. Pas wanneer  je je hoofd in je nek legde, kon je het rookkanaal zien dat de top van de tipi vormde. Als walvisbaleinen stonden de metershoge stokken rechtop, spanden het doek, vormden een theatrale wand van l...

Miskoop.

Ze hadden er duidelijk helemaal geen zin in. De twee vrouwen die in de hoofdstad van Midden Nederland op de kop van de Springweg in de hippe kinderkledingwinkel de clientèle in ogenschouw namen. In de volgestouwde, wat duistere winkel vol met ‘de tofste kinderkledingmerken’ , waarvan de prijskaartjes meestentijds minstens drie cijfers voor de komma telden, stonden ze landerig bij de kassa. De gefluisterde bemerking van mijn dochter of ik haar nou alweer een kringloopwinkel had  laten betreden, was exemplarisch voor het hele Umfeld . Op mijn vraag aan de uitbaatsters of er ook -zoals gelezen in de krant- een outlet was, wees de éen verveeld door de openstaande deur naar buiten, de straat over. “Ja, daar’,was het wat boze antwoord. Toen ik de pas erin zette naar buiten, werden de dames plots ongedurig. ‘Ja wácht’ , zeiden ze, als was ik een arrestant, ‘want wij moeten mee’. Het plat Utrechts klonk  was de spreekwoordelijke modderschuit, waarvan de winkel -voorheen een...

Droom.

De vrouw die ik maar een paar jaar kende en die drie maanden geleden overleed, bezocht mij  vannacht in een droom. Plotseling stond zij naast mij terwijl ik in een donkere nacht keek naar het wassende water van een rivier die weldra de hele stad weg zou vagen. In mijn slaap was ik niet verbaasd over haar verschijning, zo mager maar vitaal als ik me haar herinnerde bij leven. Dicht bij mij bleef ze die hele droom lang, ook terwijl de nachtmerrie over de ondergelopen stad zich voor ons oog ontvouwde. Terwijl het water kwam, stonden wij gefascineerd naar de chaos om ons heen te kijken in de straat waar zij en ik samen, in het echte leven, gewoond hadden. Telkens als ik naar haar keek vielen me haar fluweelzachte donkere ogen op. En in mijn droom had ze precies die lieve lach in dat zachte gezicht vol droefenis. Geïnteresseerd bevroeg ze mij over de tijd waarin zij afwezig was geweest. Daarna noemde ze de naam van haar man en zei, dat ze zich afvroeg hoe het met hem ging. No...