Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Mis.

  In de dierentuin stond ik lang stil bij een leemkleurige wand. Waarin vier halfronde langwerpige vensters waren uitgespaard. Elk venster bleek een grafkistje. Waarin -van beide zijkanten verlicht- het dode lichaampje van een tijgerfoetus op sterk water dreef. Ik moest denken aan het kindje dat uit mij gevallen was. Op een gure vrijdagochtend in november. Een in aanleg perfect mensje. Net als deze -voor altijd in de tijd bevroren- tijgerbaby’s. Alles aanwezig. Alles perfect. Wat ontbrak was adem. Voor een heel leven. In de dierentuin verdween de hele wereld even om mij heen. Ik keek naar die vier dode diertjes. En dacht aan mijn doodgeboren kindje. Ik had gewild dat ik dat mensje -zo puntgaaf als die uitgelichte tijgers waarnaar ik maar bleef staren- even voor me zou kunnen zien. En haar - want het was een meisje, dat denk ik, dat weet ik bijna zeker- in zo’n glazen kelk van vrede en verdriet zou kunnen hebben opsluiten. Om soms even ...

Oma.

  In de kerk was niemand. Meisje M. gooide met gepaste ingetogenheid het muntgeld in de daarvoor bestemde gleuf in de muur. Daarna koos ze een kaars. Die staken we samen aan voor Oma Piano. Meisje M. zocht een plek in het schelpenzand, tussen de andere kaarsen. Daarna vroeg ze fluisterend waarom alle mensen eerder die dag een kaars in de kerk hadden aangestoken. Ze wees op de dertien al brandende kaarsjes, naast die van Oma Piano. ‘ Als iemand dood is en je wilt even aan die iemand denken, dan kun je in de kerk een kaars aansteken. En dan zeg je eigenlijk; Hallo, Oma Piano. Ik hou van jou’ antwoordde ik. Meisje M. liet deze mededeling op zich in werken,ruggelings op de grond voor het altaar geposteerd. Ze sloot haar ogen. Zo,met haar benen gespreid, haar armen wijd en de ogen dicht zei ze;  ‘ Dit is dood he?’ ‘ Ja’ zei ik, ‘ dat is dood. Eigenlijk is dood-zijn net als heel erg lang slapen. Maar dat je dan nooit meer wakker wordt’. Ze kni...

Licht.

  Er branden twee kaarsen op mijn tafel.  Ik stak ze aan toen we opstonden en gingen ontbijten.  G. blies ze uit toen ik Meisje M. naar school ging brengen. "Nee, nee!', hoorde ik mijzelf zeggen alsof het om leven of dood ging, 'Ze moeten blijven branden. Ze zijn voor R.' Terwijl Meisje M. naar school werd gebracht, hebben de kaarsjes gebrand.  Ik kijk er nu naar. Het gaat ook om leven en dood. Ik denk aan R. wiens vrouw vandaag begraven wordt. Precies een week geleden is ze neergestoken tijdens haar werk en overleden aan haar verwondingen. Ik kende haar niet. Haar man ken ik. Van een enkele ontmoeting. Een lieve, kalme man van net vijftig. Vader van drie kinderen. Hij heeft altijd gewerkt met te vroeg geboren baby’s. In het ziekenhuis. Hij zorgde voor die piepkleine mensjes. Bracht infusen aan. Controleerde hun lichaamsfuncties, bracht koude lijfjes op temperatuur. Hield doorschijnend kleine handjes even vast. Pr...

Mama.

  Mijn kind tekent, of haar leven ervan afhangt, over de dood. Gister krabbelden haar net vierjarige vingertjes met stiften in een boekje met een obscene glittter-kaft. Toen ik vroeg wat ze had getekend, liet ze het zien. Een tekening met stippels die begraven waren. Vier zeerdiertjes die gestorven waren in de zee. En een dode poes. Ik vroeg haar hoe het kwam dat ze zoveel over de dood tekende.  Zoveel over de dood nadacht. Ze wees op je foto in de vensterbank en zei dat het door jou kwam.  ‘Ik weet niet of oma nou dood is of dat ze nou nog leeft’ , zei ze met een piepstem. Ik vertelde haar dat je dood was. En dat je nooit meer terug zou komen.  Ook dat je veel van haar gehouden had. Ik vroeg mijn kind of ze wist wat dat was, dood-zijn. Ze haalde vragend haar schouders op.  ‘In de hemel?’ zei ze toen. ‘Ik weet het niet’ antwoordde ik. ‘ Misschien is oma wel in de hemel, ja. Wat is dat, de hemel? Hoe ziet die er ui...

Liegen.

Er wordt wat afgelogen de laatste tijd. Zo rondom mij heen. Het zijn   de meest fabelachtige verzinsels die mij ter ore komen.  Sommige leugens waaien per ongeluk aan mij voorbij. Andere worden recht in mijn gezicht gedaan. Altijd is het de leugenaar te doen om persoonlijk gewin. Meestal is de inzet macht. De achterkant van elke leugen is daarmee in wezen dus onmacht. Inmiddels zou ik een heleboel kleurrijke leugens , die recht in mijn gezicht zonder met de ogen te knipperen zijn gedaan , op een rij kunnen zetten. Van hier tot aan de voordeur zouden ze zich kunnen opstapelen, dan. Als een stroperig kleed van onwaarheden, falsificaties, verdichtingen, bedrog, listigheden, misleidingen, veinzerij en zwendel. Ik doe het niet. En ik vergeet   ze evenmin. Maar bewaar ze. In mijn achterhoofd, achter een dicht luikje waarop staat ‘Arglist & Verlakkerij’ . De mooiste leugen die ik hoorde was er één die niet voor mij bedoeld was. Maar ...

Band.

  Sinds haar dood is mijn moeder voortdurend aanwezig. Ook in mijn dromen. Anders dan tijdens haar leven, is ze in al die dromen een metgezel. Ze is bij me, naast mij, achter me. Vannacht liepen zij en ik in een gedroomde straat. Links naast ons manshoge struiken van een diepe roestbruine kleur. Mijn moeder wandelde rechts naast mij. Klein was ze, veel kleiner dan toen ze nog leefde. Zij sprak niet tegen mij. Maar vergezelde mij over die zomerse stoep, die verdacht veel leek op de hoek van de straat van ons ouderlijk huis. Ik praatte honderduit tegen mijn moeder, die zo lief en klein was. Ik telde de zilveren armbanden om mijn arm. En bij elke armband vertelde ik haar iets over de herkomst en geschiedenis ervan. En over hoe lang dat sieraad al om mijn pols zat. Mijn moeder glimlachte en keek voor zich uit. En soms keek ze mij aan. Genietend van haar kind. Lief was ze, daar op die stoep. Met mij. Zo , heel lief.

Stoet.

Ik bracht Meisje M. naar school. Daarna reed ik door de file terug de stad in. Ik luisterde naar Mink De Ville. Niets bijzonders voelde ik, mijn hoofd leek leeg. Plotseling sloeg een rouwauto- die onzichtbaar voor mij een paar auto’s vóór me had gereden - rechtsaf. Daarachter een zilverkleurige volgauto. Ze reden de straat in recht tegenover de speeltuin met de geiten, reuzenkonijnen, en vogels waar Meisje M. en ik de heetste dagen van dit jaar plezierig en rustig hadden doorgebracht met ijs, koekjes en andere kinderen. Ik zette Mink De Ville uit. Keek beide auto’s na. En plotseling was het mei. En reed ik achter de rouwauto met daarin het lichaam van mijn moeder. De kist in die donkere auto, het lampje boven de kist aan, het bloemstuk van wilde bloemen zacht schuddend op het ritme van die langzaam rijdende auto. Waar we even daarvoor haar kist in hadden geschoven. Met zijn vieren. Vanachter mijn zonnebril begonnen tranen te stromen. ...