Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Spelen

Meisje M. ontvangt veel visite aan huis. Soms is het een meisje van acht, dan weer een kleuter van net vier die komt spelen met poppenhuis, stiften, My Little Pony’s, kleurboeken, cd-speler, tent, prinsessenjurk of puzzels. Het patroon is hetzelfde. Meisje M. deelt de lakens uit. En de Barbies. ‘Jij mocht deze Barbies en dan mocht ik deze’, hoor ik vanaf mijn plekje op de bank. ‘Oké’ antwoordt dan opgewekt haar damesvisite. Daarna rolt Meisje M. de grote verkleedkist haar kamertje binnen. ‘Zullen we vadertje en moedertje spelen?’ is dan de vraag. De visite stemt in. Opdrachten geven en krijgen is een doodnormaal ritueel in deze kleine-meisjeswereld. Niemand stoort zich aan bazigheid, onderdanigheid, niet-luisteren, niet-opletten. Met het ene meisje wordt vooral veel gegiecheld, met de andere voornamelijk in stilte getekend. Meisje M. past zich als kwikzilver aan aan de visite. En de visite pas zich monter aan aan Meisje M. Het leven, en hoe het z...

Dolor.

  Er zijn nagenoeg geen live-beelden van haar te vinden. En op de vele foto’s die van haar gemaakt zijn- sommigen gecompileerd tot filmpje- is een vrouw met diverse gezichten te zien. Eén gezicht dat vele kanten herbergt. Een mysterieuze persoonlijkheid. Violeta Parra was een Chileense zangeres en beeldend kunstenaar. Ze legde de basis voor La Nueva Canción Chilena - het nieuwe Chileense lied- dat zijn basis kent in de Chileense volksmuziek. Ze zorgde voor vernieuwing en blies het nieuw leven in. La Nueva Canción Chilena werd in de jaren '60 en vroege jaren '70 de muzikale stem van de sociaal-politieke beweging in Chili, die zijn invloed kreeg tot ver buiten Chili. Parra was de Edith Piaff van Chili. Precies op haar verjaardag in 1960 ontmoette zij voor het eerst Gilbert Favre, een jonge Zwitser en later muzikant, die voor antropologisch onderzoek in Latijns-Amerika terecht was gekomen.  Na onenigheid met de onderzoeksleider ging hij zijn eigen w...

Krst.

  Ik maakte Meisje M. wakker. Samen ontbeten we aan tafel, terwijl we op mijn computer keken naar een prachtige animatiefilm van een jongen en een sneeuwman. Daarna klom ze op schoot en zongen we de titelsong. Zij in fonetisch Engels, ik alsof ik een operazangeres nadeed. Ze lachte. Door de regen fietsten we naar school. Meisje M. ingepakt in een blauwwit gestippelde regencape. Ik met mijn legerpet op en mijn zwarte shawl. We zongen opnieuw. Meisje M. deed op het schoolplein mijn fietsverlichting uit en greep daarna mijn hand. Samen beklommen we de treden   naar de schooldeur. Alle leerkrachten stonden in de gang, bijgelicht door de kerstboomlampjes. Ze zongen kerstliedjes. Voor alle vaders en moeders en kinderen die bezweet en verregend naar school waren gekomen. Het ontroerde me. In de klas was op het grote witte scherm een projectie van een knapperend haardvuur te zien. En alleen de lichten in de kerstboom waren aan. Meisje M. l...

Kort.

Eén keer, toen ik pauze had op het reclamebureau waar ik werkte , schreef ik voor de Duitse artdirector waarmee ik een team vormde een verhaal. Hij duurde niet lang, die pauze. Ik probeerde de artdirector in de taal die we beiden meester waren, te duiden hoe ik een filmpje voor me zag. In mijn hoofd ontstond die pauze, tijdens het schrijven een man. Aan het einde van de pauze was de man van het papier weggewandeld, het verhaal uit. Maar het verhaal is niet uit. Want een paar maal per jaar denk ik aan die man. En waarheen hij eigenlijk is gegaan. En waarom. Dit is het verhaal:   ‘Vern needs a hobby’, his wife told the neighbours. On his next birthday, the neighbours gave Vern a big box, wrapped up in red christmaspaper. Outside it was really hot: the august sun had beaten the grass on the lawn for weeks. Verns birthdayparty was held inside. In the airconditioned shady livingroom, Vern tore the red christmaspaper. A brown cardboard box came from underneath ...

Anderen.

Het licht was aan.  Tenminste: dat dacht ik.  Daar leek het op, van buitenaf. Maar toen ik het huis binnenging, was alles donker. Ik bedoel: echt donker. Van dat ondoordringbare, dikke duister dat je omsluit als een onzichtbare deken. Ik tastte naar de trapleuning en stootte daarbij eerst met mijn vingers op de kalkstenen muur.  Kleine brokjes steen tikten op de marmeren vloer. In de diepe duisternis leek het of de echo van dat vallende gruis de ruimte even zichtbaar maakte. Het was of ik, door het vallen van die kleine brokjes muur, de vloer even kon ‘zien’.  Het was alsof, bij gebrek aan licht, dat geluid van vallend gruis kleine vakjes met woorden in mijn geest deed oplichten. Het onregelmatig weerkaatste geluid belichtten in mijn hoofd het woord als het ware het vakje ‘vloer’.  En eventjes kon ik hem helder voor me zien: de marmeren vloer achter   de voordeur, met de versleten mat er op. Kleine stukjes gruis op marme...

Mis.

  In de dierentuin stond ik lang stil bij een leemkleurige wand. Waarin vier halfronde langwerpige vensters waren uitgespaard. Elk venster bleek een grafkistje. Waarin -van beide zijkanten verlicht- het dode lichaampje van een tijgerfoetus op sterk water dreef. Ik moest denken aan het kindje dat uit mij gevallen was. Op een gure vrijdagochtend in november. Een in aanleg perfect mensje. Net als deze -voor altijd in de tijd bevroren- tijgerbaby’s. Alles aanwezig. Alles perfect. Wat ontbrak was adem. Voor een heel leven. In de dierentuin verdween de hele wereld even om mij heen. Ik keek naar die vier dode diertjes. En dacht aan mijn doodgeboren kindje. Ik had gewild dat ik dat mensje -zo puntgaaf als die uitgelichte tijgers waarnaar ik maar bleef staren- even voor me zou kunnen zien. En haar - want het was een meisje, dat denk ik, dat weet ik bijna zeker- in zo’n glazen kelk van vrede en verdriet zou kunnen hebben opsluiten. Om soms even ...

Oma.

  In de kerk was niemand. Meisje M. gooide met gepaste ingetogenheid het muntgeld in de daarvoor bestemde gleuf in de muur. Daarna koos ze een kaars. Die staken we samen aan voor Oma Piano. Meisje M. zocht een plek in het schelpenzand, tussen de andere kaarsen. Daarna vroeg ze fluisterend waarom alle mensen eerder die dag een kaars in de kerk hadden aangestoken. Ze wees op de dertien al brandende kaarsjes, naast die van Oma Piano. ‘ Als iemand dood is en je wilt even aan die iemand denken, dan kun je in de kerk een kaars aansteken. En dan zeg je eigenlijk; Hallo, Oma Piano. Ik hou van jou’ antwoordde ik. Meisje M. liet deze mededeling op zich in werken,ruggelings op de grond voor het altaar geposteerd. Ze sloot haar ogen. Zo,met haar benen gespreid, haar armen wijd en de ogen dicht zei ze;  ‘ Dit is dood he?’ ‘ Ja’ zei ik, ‘ dat is dood. Eigenlijk is dood-zijn net als heel erg lang slapen. Maar dat je dan nooit meer wakker wordt’. Ze kni...