Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Liegen.

  Alles kwam uit. En als een puzzelstuk vielen al die vreemde dagen op hun plek. De dagen van door het huis schuiven, de ogen neergeslagen. De schouders gekromd. Het niet willen praten. Het zich terugtrekken. Het doordringende zwijgen. De boosheid. Het afwijzen. De afkeer. Nu liggen de leugens op tafel. En volgen consequenties. Liegen lijkt onschuldig. Maar wie dieper kijkt, ziet hoe destructief liegen werkelijk kan zijn. Het is meer dan een verbuiging van de waarheid. Het is een poging om de wereld naar je hand te zetten. Vaak gebeurt dat onbewust, vanuit de drang om je veilig te voelen, om controle te houden. Veel leugens komen voort uit een diepgewortelde angst. Angst voor afwijzing, verlies, teleurstelling. Een gezonde dosis angst is normaal en soms zelfs levensreddend — zoals angst voor gevaar of onveiligheid. Maar als angst en onzekerheid de overhand nemen, raken we verwijderd van wie we werkelijk zijn. Dan begin je te twijfelen aan je waarde, aan je cap...

Cantat, Rady, Trintignant.

    Waar was jij de avond van 26 juli 2003? Ik weet waar ik was. Ik vierde mijn verjaardag op De Parade in Utrecht, met mijn vrienden. En precies negentien dagen daarna zou ik degene ontmoeten die bijna mijn ondergang werd. Die tot tweemaal toe plotseling en razendsnel zijn handen om mijn keel zou zetten in een poging om me dood te knijpen. Op momenten dat ik het niet met hem eens was. En hem dat had laten weten. Ik weet ook waar de Franse actrice   Marie Trintignant was, die avond.  Op 26 juli 2003 was ze voor filmopnamen in de Litouwse stad Vilnius. De man met wie ze een affaire had aangeknoopt was bij haar. Bertrand Cantat was de frontman van de populaire Franse band   Noir DĆ©sir.  Getrouwd met de moeder van zijn twee kinderen, Krisztina Rady, was hij maanden daarvoor een affaire begonnen met de eveneens al getrouwde Trintignant. Hun verhouding ging gepaard met ups en downs. Er waren ruzies. Er was de voortdurende zuigende aanwe...

Samen.

  Zittend aan mijn tafel zie ik elke ochtend rond elf uur en elke avond rond zes uur een ouder echtpaar. Ze begeven zich op die uren samen op het balkon aan de achterzijde van hun woning. Die uitkijkt op mijn tuin. ’s Ochtends opent de vrouw de balkondeur. Zij is een lange, statige dame met onberispelijk gewatergolfd kapsel, de smaakvolle outfit beschermd met een keukenschort. Aansluitend komt haar man naar buiten. Meestal gekleed in een trui en overhemd. Op koude ochtenden daagt hij zijn winterjas. In zijn ene hand heeft hij een borstel, in de andere de blauwe badmat. Die laatste hangt hij over de rand van het balkon. Waarna hij, geconcentreerd door zijn bril kijkend, minutenlang centimeter voor centimeter de mat afschuierd met de borstel. Tegen de vleug in. Na deze klus sluit hij de balkondeur. Nooit kijkt hij op van zijn karwei. Geen enkele keer hebben zij mij aangekeken, hun onderbuurvrouw die vaak aan haar keukentafel zit te schrijven of tekenen. Hi...

Poes.

  Daar was ze. Eerlijk gezegd had ik haar al veel eerder verwacht. Want de doden dienen zich vroeg of laat altijd aan. Ook in mijn slaap. Vlak voor de wekker afging, meldde zij zich. In een levendige droom waarin het schemertijd was. Maar kleur zich al langzaam uit het duister losmaakte. Ik was de trap afgelopen en zette mijn voet op de tegels in de keuken. Ik hoorde haar vier pootjes roffelen op de houten trap tussen woonkamer en keuken. Zoals altijd. ‘Ach Raaffie’ zei mijn droomzelf hardop. Want hoewel ik niet wakker was maar sliep, was er wel degelijk het besef dat ik voor het eerst in bijna zes maanden de kans had haar vacht te voelen, haar stem te horen. Ze passeerde mij zonder me te zien. Haar stem was een kort maar zwak, klaaglijk schreeuwen. Ze rende naar haar etensbakje onder de trap. Eventjes zag ik haar maar. Vlak voor de wekker ging. Maar er was iets niet in orde. Haar vacht stond in stoffige plukken overeind. Haar oogjes leken gebroke...

Vondst.

  Gister een rondje kringloop gedaan. Ik was op zoek naar een rond bijzettafeltje van hout. Of een op zijn kop gezette grote vaas die als pilaar kon dienen. Of een grote pot die ik zwart zou kunnen spuiten als zuil. Affijn. Ik zocht iets, waartegen mijn oog zou stoten. Waarvan ik dan zou weten dat het dĆ”t was, wat ik zocht. Bij de potterie stond buiten in de regen iets zwarts. Het leek een bloempot. Of een tonnetje. Het had een vreemd handvat in het midden, volledig verroest. Ik pakte het op. Het sprak me aan. Een vreemd object was het. Smoezelig en inktzwart. Te vies om aan te pakken. Precies mijn ding. Twee euro vijftig moest het kosten. Ik bracht het naar de kassa en liet het bemodderde, kletsnatte ding apart zetten. Ik neusde verder en vond een klein handzaam cakeblik voor mijn bananenbrood. En een handgeschilderde kan van Portugees aardewerk in donkere tonen met twee zwarte honden die de wacht hielden onder een vrolijk gestreept handvat. Ik rekende alle...

Zo waarlijk.

  ‘Moeder van alle mensen’ stond op het kleine handgeschilderde bordje dat in Leuven in een boom hing. Op een vreemde hoogte. Alleen zichtbaar als je je vanaf het Mariakapelletje, dat ervoor stond, oprichtte en naar die grote boom keek. Ik weet nog waar ik het bordje zag. Welke laarzen en jas ik aanhad. Hoe de tekst me diep raakte. Dat ik even erna in een ziekenhuis in datzelfde BelgiĆ« op een operatietafel zou liggen.  Voor de allereerste en meteen laatste IVF-poging. Een moeder van alle mensen. Eentje, die mensen moeders zou maken. Toen ik dat bordje zag, was het mijn hartstochtelijke wens dat na vijf miskramen een medische ingreep via IVF   zou leiden tot het geboren laten worden van een levensvatbaar kind. Ook die wens kwam niet uit. Hoe het leven je breken kan. Dat leer je niet op school. Dat leer je in de gangen van een Vlaamse kliniek. Of met een zojuist doodgeboren kindje in je handen, helemaal alleen thuis. Of op een doodgewone dinsdag wa...

Mancipatie.

  Ik moest flink bukken om de doppen van de ventielen van mijn autobanden te draaien. Daarna drukte ik net zo lang op de rode plusknop van het apparaat langs de N237, tot het display 200 Bar vermeldde. Vervolgens duwde ik de mond van de slang waar de perslucht uit kwam, recht tegen het ventiel van mijn autoband. Zo, diep bukkend draaide ik mijn oor naar het apparaat om -te midden van het langsrazende verkeer- de piep te kunnen horen. Die aangaf dat er genoeg lucht in de banden zat. Toen ik de tweede band vulde met lucht, hield een grote Audi achter mijn auto halt. Het raam ging open. Een man van onbestemde leeftijd, naast zich een puberdochter die zich nu al schaamde voor haar vader. ‘Goedemorgen’ hoorde ik.   Ik groette terug terwijl ik de slang voor de motorkap langs naar het andere voorwiel trok. ‘Hoe werkt dat?’ hoorde ik. Ik ging rechtop staan. ‘Het apparaat?’ vroeg ik ‘Of de banden op spanning brengen?’ ‘Ja, nee, het apparaat, hoe kan ik b...