Daar was ze.
Eerlijk gezegd had ik haar al veel eerder
verwacht.
Want de doden dienen zich vroeg of laat altijd aan.
Ook in mijn slaap.
Vlak voor de wekker afging, meldde zij zich.
In een levendige droom waarin het
schemertijd was.
Maar kleur zich al langzaam uit het duister losmaakte.
Ik was de trap afgelopen en zette mijn voet op de tegels in de keuken.
Ik hoorde haar vier pootjes roffelen op de houten trap tussen woonkamer en
keuken.
Zoals altijd.
‘Ach Raaffie’ zei mijn droomzelf hardop.
Want hoewel ik niet
wakker was maar sliep, was er wel degelijk het besef dat ik voor het eerst in
bijna zes maanden de kans had haar vacht te voelen, haar stem te horen.
Ze passeerde mij zonder me te zien.
Haar stem was een kort maar zwak, klaaglijk schreeuwen.
Ze rende naar haar etensbakje onder de trap.
Eventjes zag ik haar maar.
Vlak voor de wekker ging.
Maar er was iets niet in orde.
Haar vacht stond in stoffige plukken overeind.
Haar oogjes
leken gebroken en hadden een melkachtige glans alsof staar haar zicht
blokkeerde.
Ik had nog net de tijd om mij naar haar toe te buigen, mijn hand naar dat diertje uit te strekken. Die poes, die zelfs bij deze vreemde aanblik in mijn droom mijn hart een steek van liefde gaf, een scheut pijn waarin het gemis zich aandiende.
Toen schrok ik wakker.
Zonder haar te hebben aangeraakt.
In de slaapkamer heerste de schemering van zojuist in die onware realiteit.
Een diepe droefenis daalde in mij neer.
Raaf had zich laten zien.
In al haar levenloze gruwelijkheid.
Het was onomstotelijk waar: zij leefde niet meer.
Echt, helemaal nooit meer.

Reacties
Een reactie posten