Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Vondst.

  Gister een rondje kringloop gedaan. Ik was op zoek naar een rond bijzettafeltje van hout. Of een op zijn kop gezette grote vaas die als pilaar kon dienen. Of een grote pot die ik zwart zou kunnen spuiten als zuil. Affijn. Ik zocht iets, waartegen mijn oog zou stoten. Waarvan ik dan zou weten dat het dát was, wat ik zocht. Bij de potterie stond buiten in de regen iets zwarts. Het leek een bloempot. Of een tonnetje. Het had een vreemd handvat in het midden, volledig verroest. Ik pakte het op. Het sprak me aan. Een vreemd object was het. Smoezelig en inktzwart. Te vies om aan te pakken. Precies mijn ding. Twee euro vijftig moest het kosten. Ik bracht het naar de kassa en liet het bemodderde, kletsnatte ding apart zetten. Ik neusde verder en vond een klein handzaam cakeblik voor mijn bananenbrood. En een handgeschilderde kan van Portugees aardewerk in donkere tonen met twee zwarte honden die de wacht hielden onder een vrolijk gestreept handvat. Ik rekende alle...

Zo waarlijk.

  ‘Moeder van alle mensen’ stond op het kleine handgeschilderde bordje dat in Leuven in een boom hing. Op een vreemde hoogte. Alleen zichtbaar als je je vanaf het Mariakapelletje, dat ervoor stond, oprichtte en naar die grote boom keek. Ik weet nog waar ik het bordje zag. Welke laarzen en jas ik aanhad. Hoe de tekst me diep raakte. Dat ik even erna in een ziekenhuis in datzelfde België op een operatietafel zou liggen.  Voor de allereerste en meteen laatste IVF-poging. Een moeder van alle mensen. Eentje, die mensen moeders zou maken. Toen ik dat bordje zag, was het mijn hartstochtelijke wens dat na vijf miskramen een medische ingreep via IVF   zou leiden tot het geboren laten worden van een levensvatbaar kind. Ook die wens kwam niet uit. Hoe het leven je breken kan. Dat leer je niet op school. Dat leer je in de gangen van een Vlaamse kliniek. Of met een zojuist doodgeboren kindje in je handen, helemaal alleen thuis. Of op een doodgewone dinsdag wa...

Mancipatie.

  Ik moest flink bukken om de doppen van de ventielen van mijn autobanden te draaien. Daarna drukte ik net zo lang op de rode plusknop van het apparaat langs de N237, tot het display 200 Bar vermeldde. Vervolgens duwde ik de mond van de slang waar de perslucht uit kwam, recht tegen het ventiel van mijn autoband. Zo, diep bukkend draaide ik mijn oor naar het apparaat om -te midden van het langsrazende verkeer- de piep te kunnen horen. Die aangaf dat er genoeg lucht in de banden zat. Toen ik de tweede band vulde met lucht, hield een grote Audi achter mijn auto halt. Het raam ging open. Een man van onbestemde leeftijd, naast zich een puberdochter die zich nu al schaamde voor haar vader. ‘Goedemorgen’ hoorde ik.   Ik groette terug terwijl ik de slang voor de motorkap langs naar het andere voorwiel trok. ‘Hoe werkt dat?’ hoorde ik. Ik ging rechtop staan. ‘Het apparaat?’ vroeg ik ‘Of de banden op spanning brengen?’ ‘Ja, nee, het apparaat, hoe kan ik b...

Brief.

Iemand had het briefje onder de ruitenwisser van de Volvo gestopt. Dat niet alleen. Alvorens het als verrassing te plaatsen op de achterruit, had diegene met lippenstift een kus gedrukt op het velletje papier. Iemand anders was in de auto gestapt. En had het briefje met de lieve boodschap niet gezien. Dwars door het drukke ochtendverkeer vlagde daar een onoplettende burger. Onwetend van de schitterende liefdesverklaring op de achterruit van de auto. 'Dag lieve' was leesbaar voor de achterliggers. De rest van de boodschap was onzichtbaar door de ruitenwisser die het inmiddels vochtige velletje op zijn plaats hield. God weet hoe lang al.  Een vredeswens in oorlogstijd. Onvoorwaardelijke liefde. Getoond aan een onoplettende ontvanger. Een per ongelukke vlag op een modderschuit. De niet gehoorde boodschap. Liefde, platgeslagen tegen een achterruit op een overvolle verkeersader in de bomvolle stad. Ik kon het slechts fotograferen. Liefde in tijden van onwetendheid. Prachtig.

Orde.

Toen de orde der dingen voor de vierde maal zo definitief verschoven was, hoorde ik een specht.  Dat was op de zondag erna. In een bos waar mensenhanden een grote hut van stammen en takken hadden gemaakt. En paddenstoelen hun zwavelkleurige lichamen tussen het mos door wrongen. Ik kon het geluid eerst niet thuisbrengen. De doffe echo leek vanuit de vochtige grond op te stijgen. Ik hurkte en keek onder het gebladerte. Dacht dat ik een zwart-wit diertje zag. Maar wist meteen dat dit een schitterende illusie van mijn bedroefde geest was. Hoger keek ik. Langs de stammen van de hoge bomen, hun loof nog groen en vol leven. Ik tuurde langs de grijze lucht, tussen takken en het karkas van een dode boom die metershoog rechtop stond: zinloos leven. Plotseling zag ik de specht. Hoog boven mij roffelde zijn snavel met een duizelingwekkende vaart tegen de onbarmhartige bast van een den. Het geluid droeg ver. Van grond tot hemel: overal hoorde je doffe klank van h...

Excuus.

      Gister maakte een vriend van mij een fout. Vlak erna liet hij weten spijt te hebben van zijn woorden. En daden. Zei zich rot te voelen. Hij vroeg me of we even konden bellen. Ik liet weten er even niet over te willen praten, die dag. Maar wel de dag erna. Vanmorgen belde hij mij, zoals gister afgesproken. Hij maakte onmiddellijk nogmaals excuus voor wat hij gister deed. Ik zei dat ik begrip had voor zijn keuze. En liet de verantwoordelijkheid daarvoor verder bij hem.  Maar vroeg hem ook wat het zo comfortabel had gemaakt mij te kwetsen. Wat, aan mij, het zo eenvoudig had gemaakt dit te doen. Omdat ik niet de indruk had dat iets in mij hem had toegestaan of zelfs uitgenodigd te kwetsen. Of zo achteloos met mij om te gaan. Het was een oprechte vraag. Opnieuw kwam er excuus. En een gesprek waarin wederzijds werd geluisterd. Nog nooit heeft iemand zo eloquent sorry tegen mij gezegd. Na een menselijke fout, die gewoonweg gebeuren kan in een ...

Breken.

De nonchalance waarmee. De onoplettendheid van het al. De apathische desinteresse waarmee koelte je toe waait. Hoe schouderophalend. En onbekommerd. Hoe koud die zuigende wind. En ooghoek-observerende. Hoe stiekem-proberende oogluikend-toegestane. De lusteloze onverschilligheid. De tijd, die het kind geroofd heeft. Het breken van alles wat was. Hoe luid de scherven. En hoe onhoorbaar de oorverdovende onachtzaamheid.