Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Mancipatie.

  Ik moest flink bukken om de doppen van de ventielen van mijn autobanden te draaien. Daarna drukte ik net zo lang op de rode plusknop van het apparaat langs de N237, tot het display 200 Bar vermeldde. Vervolgens duwde ik de mond van de slang waar de perslucht uit kwam, recht tegen het ventiel van mijn autoband. Zo, diep bukkend draaide ik mijn oor naar het apparaat om -te midden van het langsrazende verkeer- de piep te kunnen horen. Die aangaf dat er genoeg lucht in de banden zat. Toen ik de tweede band vulde met lucht, hield een grote Audi achter mijn auto halt. Het raam ging open. Een man van onbestemde leeftijd, naast zich een puberdochter die zich nu al schaamde voor haar vader. ‘Goedemorgen’ hoorde ik.   Ik groette terug terwijl ik de slang voor de motorkap langs naar het andere voorwiel trok. ‘Hoe werkt dat?’ hoorde ik. Ik ging rechtop staan. ‘Het apparaat?’ vroeg ik ‘Of de banden op spanning brengen?’ ‘Ja, nee, het apparaat, hoe kan ik b...

Brief.

Iemand had het briefje onder de ruitenwisser van de Volvo gestopt. Dat niet alleen. Alvorens het als verrassing te plaatsen op de achterruit, had diegene met lippenstift een kus gedrukt op het velletje papier. Iemand anders was in de auto gestapt. En had het briefje met de lieve boodschap niet gezien. Dwars door het drukke ochtendverkeer vlagde daar een onoplettende burger. Onwetend van de schitterende liefdesverklaring op de achterruit van de auto. 'Dag lieve' was leesbaar voor de achterliggers. De rest van de boodschap was onzichtbaar door de ruitenwisser die het inmiddels vochtige velletje op zijn plaats hield. God weet hoe lang al.  Een vredeswens in oorlogstijd. Onvoorwaardelijke liefde. Getoond aan een onoplettende ontvanger. Een per ongelukke vlag op een modderschuit. De niet gehoorde boodschap. Liefde, platgeslagen tegen een achterruit op een overvolle verkeersader in de bomvolle stad. Ik kon het slechts fotograferen. Liefde in tijden van onwetendheid. Prachtig.

Orde.

Toen de orde der dingen voor de vierde maal zo definitief verschoven was, hoorde ik een specht.  Dat was op de zondag erna. In een bos waar mensenhanden een grote hut van stammen en takken hadden gemaakt. En paddenstoelen hun zwavelkleurige lichamen tussen het mos door wrongen. Ik kon het geluid eerst niet thuisbrengen. De doffe echo leek vanuit de vochtige grond op te stijgen. Ik hurkte en keek onder het gebladerte. Dacht dat ik een zwart-wit diertje zag. Maar wist meteen dat dit een schitterende illusie van mijn bedroefde geest was. Hoger keek ik. Langs de stammen van de hoge bomen, hun loof nog groen en vol leven. Ik tuurde langs de grijze lucht, tussen takken en het karkas van een dode boom die metershoog rechtop stond: zinloos leven. Plotseling zag ik de specht. Hoog boven mij roffelde zijn snavel met een duizelingwekkende vaart tegen de onbarmhartige bast van een den. Het geluid droeg ver. Van grond tot hemel: overal hoorde je doffe klank van h...

Excuus.

      Gister maakte een vriend van mij een fout. Vlak erna liet hij weten spijt te hebben van zijn woorden. En daden. Zei zich rot te voelen. Hij vroeg me of we even konden bellen. Ik liet weten er even niet over te willen praten, die dag. Maar wel de dag erna. Vanmorgen belde hij mij, zoals gister afgesproken. Hij maakte onmiddellijk nogmaals excuus voor wat hij gister deed. Ik zei dat ik begrip had voor zijn keuze. En liet de verantwoordelijkheid daarvoor verder bij hem.  Maar vroeg hem ook wat het zo comfortabel had gemaakt mij te kwetsen. Wat, aan mij, het zo eenvoudig had gemaakt dit te doen. Omdat ik niet de indruk had dat iets in mij hem had toegestaan of zelfs uitgenodigd te kwetsen. Of zo achteloos met mij om te gaan. Het was een oprechte vraag. Opnieuw kwam er excuus. En een gesprek waarin wederzijds werd geluisterd. Nog nooit heeft iemand zo eloquent sorry tegen mij gezegd. Na een menselijke fout, die gewoonweg gebeuren kan in een ...

Breken.

De nonchalance waarmee. De onoplettendheid van het al. De apathische desinteresse waarmee koelte je toe waait. Hoe schouderophalend. En onbekommerd. Hoe koud die zuigende wind. En ooghoek-observerende. Hoe stiekem-proberende oogluikend-toegestane. De lusteloze onverschilligheid. De tijd, die het kind geroofd heeft. Het breken van alles wat was. Hoe luid de scherven. En hoe onhoorbaar de oorverdovende onachtzaamheid.  

Zweer.

En weer huilen we allemaal krokodillentranen. Nu over een tot mogelijk de dood erop volgt zwaar mishandeld pleegmeisje van tien jaar oud. Waarvan buren, de biologische moeder, school en andere omstanders al lang wisten hoe ernstig de situatie was in het pleeggezin waarin zij leefde. Toeschouwers, die allemaal melding deden. Bij Veilig Thuis uiteraard. En ongetwijfeld bij Save, die gaat over pleegzorg in ons land. Waarschijnlijk meldde men alles ook bij de politie. Niemand greep in. Vorige week is dit meisje uit het pleeggezin gehaald. Ze is nog steeds buiten bewustzijn en ligt in het ziekenhuis. Een de weerzin wekkende zaak is het. Waar nu maar liefst twintig rechercheurs op gezet zijn.  Ineens is iedereen wakker, vol afschuw en bereid. Hoogste prioriteit. De onderste steen moet boven. Maar het is een farce. Want als je de krant een beetje bijhoudt, lees je dat het laatste decennium duidelijk wordt dat Nederland geen welvaartsstaat is. En zelfs geen democratie. Er zijn enorme misst...

Armen.

Op een diepdonkere maandagochtend waarop de zon toch uitbundig scheen, had ik wat tijd stuk te slaan tussen de ene en de andere afspraak. In het woonwarenhuis zocht ik op de gordijnafdeling vergeefs -zoals zo vaak deze maanden- naar de juiste maat vouwgordijnen. Een vrouw passeerde mij, met aan haar hand het schattigste kleine meisje ooit. Het peutertje droeg een zwart-rode thobe met een bijpassende hoofdband, tatreez geborduurd. We glimlachten naar elkaar, de moeder en ik, toen we plaats maakten in het smalle gangpad. In het ogenblik dat we elkaar passeerden nam ik een zware beenhandicap waar bij de vrouw. Het meisje   keek vanaf de vloer naar mij omhoog met diepdonkerbruine ogen die omrand waren door de langste wimpers die ik ooit zag. Bij de gordijnen vergeleek ik rij na rij met opnieuw al die verkeerde maten en prijzen. En wilde me omdraaien om naar beneden te gaan, toen ik achter mij zachtjes ‘mevrouw’ hoorde. Ik keek om. Daar stond ze, zwaar ov...