Op een diepdonkere maandagochtend waarop de zon toch uitbundig scheen, had ik wat tijd stuk te slaan tussen de ene en de andere afspraak.
In het woonwarenhuis zocht ik op de
gordijnafdeling vergeefs -zoals zo vaak deze maanden- naar de juiste maat
vouwgordijnen.
Een vrouw passeerde mij, met aan haar hand het schattigste kleine meisje ooit. Het
peutertje droeg een zwart-rode thobe met een bijpassende hoofdband,
tatreez geborduurd.
We glimlachten naar elkaar, de moeder en ik, toen we plaats maakten in het
smalle gangpad.
In het ogenblik dat we elkaar passeerden nam ik een zware beenhandicap waar bij
de vrouw.
Het meisje keek vanaf de vloer
naar mij omhoog met diepdonkerbruine ogen die omrand waren door de langste
wimpers die ik ooit zag.
Bij de gordijnen vergeleek ik rij na rij met opnieuw al die verkeerde maten en
prijzen.
En wilde me omdraaien om naar beneden te gaan, toen ik achter mij
zachtjes ‘mevrouw’ hoorde.
Ik keek om.
Daar stond ze, zwaar overhellend op haar goede been, het kind op de
arm.
Nu kon ik tussen de donkere krulletjes in de piepkleine oorlelletjes van
het kleine meisje de Hello Kitty-oorbelletjes zien. Die onder de geborduurde
hoofdband met de gouden munten om de aandacht streden.
In gebroken Nederlands vroeg de moeder mij of ik wist wat de maat van de kant
en klare gordijnroedes was.
Ik zocht het voor haar op, op de verpakkingen.
Legde uit dat de roedes uittrekbaar waren en de maat die ze nodig had correct
was.
Ze vroeg naar de prijs.
Die was veertig euro.
Dat was veel te veel.
Ze
schrok zichtbaar.
Op mijn telefoon googelde ik voor haar waar zulke
gordijnroedes het goedkoopst waren.
Bij Ikea.
Ze bedankte me.
Ik wees haar
meisje op de mooie oorbellen.
Waarop de moeder een ketting van Hello Kitty
onder de thobe van het kindje vandaan toverde.
‘Wow’ zei ik tegen de donkerbruine kraaloogjes, ‘je bent
mooi!’
De vrouw lachte, kuste het kind terwijl ze habibi zei.
‘Habibi’ zei ik, ‘dat woord ken ik.
Een van de mooiste woorden die je zeggen kunt.’
We raakten aan de praat.
Over hoe ze bij de Ikea bij de informatiebalie zou
moeten vragen of ze haar konden helpen zodat ze niet de hele winkel door hoefde,
zo slecht ter been.
Ze fotografeerde de Ikea-roede en de bijpassende muursteunen
vanaf mijn telefoon. Zodat de klantenservice daar zo dadelijk zonder woorden zou
weten wat ze wilde hebben.
Ik vroeg naar de thobe van het meisje dat inmiddels weer op de vloer was
gezet en vrolijk achter de stelling huppelde op haar witte gympen.
‘Ja’ zei de
vrouw, ‘klopt. We zijn Palestijns’.
Er viel een kort moment een stilte zo ver als van waar wij stonden helemaal
naar de Gazastrook en weer terug. Waarin wij elkaar diep aankeken. En zij haar
schouders ophaalde en haar handen vanaf borsthoogte daarna krachteloos naar
beneden liet vallen.
‘Oh God' zei ik. ‘Wat daar gebeurt. Ik ben zó kwaad’.
Enkele ogenblikken spraken we over de uitroeiing van de Palestijnen door Israël.
Ze vertelde dat als het haar lukte in het hier en nu te leven, haar hoofd even
rust had. Maar dat ze anders alleen tot God kon bidden om hulp. Dat ze al veel
familieleden verloren had. En dat andere familieleden momenteel in doodsangst
verkeerden nu ook Rafah doelwit was geworden. Ze wees op haar dochter. Noemde
haar naam. Wees op Lulu die net als zijzelf later als ze groter was zou moeten leven
met de traumatiserende gevolgen van deze oorlog.
Een nieuwe generatie.
Met een
oud trauma.
Van moeder op dochter op kleinkind. En zo verder.
Toen we afscheid namen spreidde ze haar armen.
Ik gaf haar een lange omhelzing.
‘Dankjewel’ zei ze, terwijl de tranen over haar wangen rolden.
Buiten scheen de zon nog steeds.
Iets verderop vond ik in een container drie perfect
passende grote bloempotten.
En weer even verderop trof ik een Mariabeeld dat ik
voor drie euro meenam naar huis.
Een genadebeeld.
Van een moeder met haar kind
op de arm.
Een afbeelding van De Moeder Van Alle Mensen.
Wiens warme troostende
armen zo ver te zoeken zijn.
Deze dagen.

Reacties
Een reactie posten