Elke poes is uniek.
Heeft een bijzondere persoonlijkheid, is
enig in zijn soort.
Poes P.was er zo een.
Met een zwartwitte vacht die -wanneer de zon erop scheen- plotseling de kleur van
pure chocolade kreeg.
Gele ogen had ze, van waaruit ze gemelijk naar je kijken kon.
Ze had gelukkig-makende eigenschap mij te volgen als was ze een hond.
Wanneer ik uit mijn werk kwam, hoorde ze mijn auto als die
nog niet eens de straat in was gereden.
Tegen de tijd dat ik parkeerde, zat ze
op de hoek van de stoep op mij te wachten.
Dan gooide ik het bijrijdersportier
open, zodat zij naar binnen kon springen terwijl ik de handrem aantrok en mijn
gordel af deed.
Precies éen rondje draaide ze op de stoel voordat ze weer de stoep op sprong.
Daar wachtte ze tot ik was uitgestapt, waarna ze blij miauwend een eindje voor
me uitliep, naar huis.
’s Avonds lag ze als een baby op mijn buik als ik ruggelings
op de bank lag.
Haar armpjes om mijn hals geslagen. Soms, als ik op de vloer van de werkkamer
lag te dagdromen, kwam ze achter mijn hoofd liggen. Speelde met mijn haren,
haar witte vingers in mijn lange haar.
Op de laatste dag van haar leven nam ze afscheid van me.
Door
nog eenmaal op mijn bed te springen en daar een klein rondje te draaien.
Dat was toen ze eenentwintig jaar oud was en erg ziek.
Die avond lag ze in mijn armen
toen de dierenarts haar een spuitje gaf.
Ze ging niet.
Mijn tranen vielen op
haar dikke vacht.
Na het tweede spuitje stierf ze.
Ik wilde onmiddellijk een
nieuwe poes.
Alhoewel dat eigenlijk niet waar was.
Ik wilde dat P. terug zou
komen.
Daarom koos ik anderhalf jaar later uit een nestje een zwart witte poes.
Die noemden we Raaf.
In niets leek Raaf op P.
Ik had dat kunnen weten.
Want elke
poes is uniek. Heeft een bijzondere persoonlijkheid, is enig in zijn soort.
In vijftien jaar tijd stierven vijf poezen.
Waarvan er drie diep
begraven zijn in mijn hart.
Er is geen plaats meer voor nog een van deze gentle souls in
mij.
Ik kan er niet meer tegen, zoveel te houden van zo’n wezen en er afscheid
van te moeten nemen.
Dus ik herinner ze mij.
Ik kan hun geur ruiken als ik mijn
ogen sluit. Hun hoge stemmetjes horen. Voelen hoe zijdezacht hun vacht was. Hoe
mooi die schuine gele en groene ogen. Hoe aandachtig hun concentratie, hoe
groot hun aanwezigheid.
En ik groet ze van hier.
Dat is genoeg.

Reacties
Een reactie posten