Zij zat tegenover hem en sprak met een licht accent.
Ze was
een knappe verschijning met zwart krullend haar in een moderne shaggy-cut, gekleed in een ensemble van zachte perzik-en oudroze tonen.
Hij was een
onopvallende man zonder haar met een non-descripte bril waarachter blauwe ogen
de wereld in priemden.
De paar keer dat zijn blik de mijne kruiste, viel me de
ijzige kou op die uit hem sloeg,
Ik schatte ze beiden op net zestig.
Toen ik me aan het belendende tafeltje installeerde, hoorde
ik zijn betoog.
‘Trouwen heeft voor mij núl toegevoegde waarde’, zei hij tegen haar.
Deze zin herhaalde hij op dezelfde stellige toon, driemaal.
Zij knikte.
De serveerster kwam.
Nam mijn bestelling op.
En die van hun.
Ze spraken weer.
Zij op een toon waarbij ze leek te pleiten.
Hij antwoordde minimaal, het hoofd vaak
afgewend naar het plein rechts naast hem waar de regen in sluiers overheen
joeg.
Zij stond op toen de serveerster passeerde.
En vouwde haar armen in een liefdevol gebaar over zijn schouders en zei tegen
de serveerster hoe lief hij was.
Hij keek op zijn telefoon tijdens dit zelfs voor mij ongemakkelijke moment.
Toen kondigde zij aan naar het toilet te gaan.
Hij reageerde niet.
Bij haar afwezigheid betaalde hij de rekening.
Toen ze terugkwam, zat hij aan het tafeltje en staarde naar zijn telefoon.
Hij keek niet op toen zij arriveerde, zijn schouders even aanraakte en zei: ‘Zullen
we gaan?”
Zijn antwoord was het wegbergen van de telefoon en het aanstalten maken op te staan.
Toen zei ze op luide toon: ‘Liefje. Heb je de serveerster een gróte fooi gegeven?’
Hij knikte.
Plotseling zei ze dat ze opnieuw naar het toilet zou gaan.
Hij ging weer zitten, de jas al aan.
Ik zag haar naar de uit glazen wanden opgetrokken entree lopen waarachter de toiletten zaten.
Ze verdween uit beeld.
Hij wachtte, waarbij hij ongemakkelijk om zich heen keek.
Naar het plein.
Langs mij.
Naar de lege glazen entreehal met de
toiletten.
Even later verscheen ze bij zijn tafel met snelle pas.
‘Waar blééf je nou?!’ zei ze op geërgerde toon.
‘Ik sta daar op jou te wachten. Waarom kóm je dan niet!”
Ze wees naar de glazen hal waar ze zojuist niet had gewacht.
Hij antwoordde dat hij zei dat hij dacht dat ze naar het toilet was gegaan.
‘Daar ben ik toch net geweest?!” antwoordde ze snibbig.
Samen liepen ze naar de uitgang.
Via alle glazen wanden kon ik hun aftocht zien.
Bij de voordeur bleef ze staan, armen over elkaar.
Totdat hij deze voor haar opende.
Daarna rondden ze de hoek van het pand, regen in hun gezicht.
Zijn koude blik kruiste de mijne.
Zij had haar arm door de zijne gestoken.
Alles aan deze performance was Harold Pinter.
Het was een verraad aan oprechtheid.
Het was een toneelstuk over liefde en trouw.
En de toegevoegde waarde van een huwelijk leek mij hier inderdaad precies nul.

Reacties
Een reactie posten